woensdag 14 oktober 2026
Je haalt je targets, je manager is tevreden en je ouders vertellen op verjaardagen trots wat je doet. Toch is er dat zachte stemmetje op zondagavond. Niet paniekerig, gewoon: is dit het?
— Leestijd 5 minuten
Twee vragen die op elkaar lijken: “Ben ik goed bezig?” en “Zit ik goed op mijn plek?” klinken bijna hetzelfde. Ze zijn het niet. De eerste vraag gaat over prestatie. Doe ik wat er verwacht wordt? Lever ik op tijd? Groei ik in het tempo dat bij mijn leeftijd hoort? Daar heb je een heel systeem voor gekregen: cijfers op school, beoordelingsgesprekken, likes, een functietitel die elke twee jaar iets langer wordt.
De tweede vraag gaat over passen. Krijg ik energie van wat ik doe? Herken ik mezelf in het werk, de mensen, de manier waarop het gaat? Voor die vraag heeft niemand je een systeem gegeven. Je moet hem zelf leren stellen. Het lastige is: wie goed is in de eerste vraag, slaat de tweede makkelijk over. Als alles lukt, is er weinig reden om stil te staan.
“Als alles lukt, is er weinig reden om stil te staan. Juist daarom is het de moeite waard.”
Wat je wilt worden is een moeilijke vraag. Je kent nog lang niet alle opties, en je ideeën zijn voor een deel geleend van anderen. Wat je energie geeft, is veel makkelijker te onderzoeken. Het gebeurt gewoon, elke dag, en je lichaam houdt het netjes bij. Denk aan die middag waarop je om vijf uur verbaasd op de klok keek. Of aan dat overleg waarna je een kwartier nodig had om weer op gang te komen. Dat zijn geen toevalligheden. Het zijn datapunten.
Het probleem is dat we ze zelden opschrijven. Aan het eind van de week weet je nog dat het druk was, maar niet meer welk uur je blij maakte en welk uur je leegtrok. En dus blijft het gevoel vaag. Vage gevoelens leiden tot vage conclusies, zoals “misschien moet ik iets heel anders gaan doen”. Of tot geen conclusie.
Houd een week lang bij wat je energie geeft en wat het kost. Niet in een mooi notitieboekje dat je na drie dagen vergeet, maar in de notitie-app op je telefoon.
1. Drie keer per dag, één regel. Na de lunch, aan het eind van je werkdag en voor het slapen. Wat deed je net, en ging je energie omhoog (+), omlaag (–) of bleef hij gelijk (=)?
2. Wees specifiek. Niet “overleg: –”, maar “overleg waarin ik alleen moest luisteren: –” of “klant aan de lijn die écht een probleem had: +”.
3. Oordeel (nog) niet. Een min betekent niet dat je dat werk moet stoppen. Het is informatie, geen vonnis.
Kijk na een week naar je lijst en zoek patronen. Die zitten meestal niet in wát je deed, maar in hóé. Misschien geven alle plussen je zelfstandigheid. Misschien zitten ze allemaal bij contact met mensen, of juist bij de uren waarin je ongestoord kon bouwen. Misschien kosten niet de moeilijke taken je energie, maar de taken waarbij je moet doen alsof.
De meeste mensen ontdekken geen revolutie, maar een verschuiving. Je hoeft niet meteen van baan te wisselen. Vaak kun je binnen je huidige werk meer doen van wat je voedt: een project aannemen, een taak ruilen met een collega, je agenda anders inrichten. Bewust kiezen begint klein.
En soms laat het logboek iets groters zien. Dat de plussen nooit op je werk vallen, maar altijd daarbuiten. Dat is geen falen, maar een betere vraag dan waar je mee begon. Precies het soort vraag dat het waard is om serieus te nemen, met wat tijd en met anderen die er ook mee bezig zijn.
Wat je energie geeft, zegt iets over hoe je in elkaar zit: je sterke kanten, je interesses, de omstandigheden waarin je opbloeit. Daar kun je in je eentje een eind mee komen. Maar het gaat sneller als iemand meekijkt en de juiste vragen stelt. Of als je hoort dat een ander precies hetzelfde zondagavondgevoel heeft. Dus: begin morgen met je logboek. En kijk over een week wat het je vertelt. En probeer iemand te vinden waar je hier rustig over kunt praten!